Interview met Erik Wieërs

Erik Wieërs is architect, filosoof, hoofddocent aan de UA en medeoprichter van het Antwerpse Collectief Noord. Sinds 2020 is hij de nieuwe Vlaamse Bouwmeester. De komende 5 jaar wil hij met zijn team de Vlaming meer vertrouwd maken met de maatschappelijke dimensie van architectuur en collectieve woonmodellen. Daarnaast wil hij het debat over wat architecturale kwaliteit nu eigenlijk inhoudt, opentrekken naar een groot publiek.

Recent lanceer­den het Team Vlaams Bouwmeester, Fiets­ber­aad Vlaan­deren en het Agentschap Bin­nen­lands Bestu­ur een pro­jec­to­proep voor Leef­bu­urten. Daarmee dagen ze lokale besturen uit om woon­wijken in te richt­en vanu­it het oog­punt van voet­gangers en fiet­sers. Cen­traal daar­bij staan gezond­heid en verbli­jf­skwaliteit met genoeg ruimte voor ont­moet­ing, ontspan­ning, groen en water. Tijd voor een gesprek over de open­heid van open ruimte, strat­en op mensen­maat en de rol van archi­tecten, over­he­den én bewoners. 

Besef­fen mensen dat open­bare ruimte van iedereen is én dat ze daar hun zeg over mogen hebben? 

Het gebeurt sti­laan al wat meer. Je ziet dat stuk­jes ruimte wor­den overge­dra­gen aan bewon­ers die dan zor­gen voor beheer en onder­houd. Gemeen­ten die zeggen: deze plek is nu van jul­lie. Dat zorgt niet alleen voor meer ver­ant­wo­ordelijkheid, de mensen gaan er ook anders mee om. Ze mak­en samen afsprak­en en leggen op die manier con­tact met elka­ar. De open­bare ruimte als plek om een relatie op te bouwen met je buurt en je buren. Dat vind ik een fijne evolutie. 

Uw ambi­tieno­ta draagt de titel Ruimte voor ont­moet­ing’. Zijn we ont­moeten verleerd? 

Ver­leerd niet miss­chien. Het idee om ont­moet­ing cen­traal te zetten, dateert eigen­lijk al van voor coro­na. Alleen heeft die pan­demie de zak­en nog extra scherp gesteld. Voor de inricht­ing van de ruimte bepalen we wat privé, col­lec­tief of pub­liek is. Dat werkt door in de sociale dimen­sie van archi­tec­tu­ur. Hoe langer de coro­nacri­sis duurt en de virtuele ont­moetin­gen toen­e­men, des te belan­grijk­er wordt het inricht­en van de open­bare ruimte als ont­moet­ingsplek en niet gewoon als tussen­ruimte om van A naar B te geraken. 

Als iedereen zijn eigen plek heeft om te wonen en we zor­gen ervoor dat alles snel en effi­ciënt met elka­ar is ver­bon­den, dan vin­den we dat we goed bezig zijn. Maar we ver­geten dat je daar­door onder­tussen wel een samen­lev­ing opbouwt.

Hebben archi­tec­tu­ur en mobiliteit doorheen de jaren voor min­der ont­moet­ing gezorgd? 

Als je het hele ruimtelijk tra­ject bek­ijkt, wel ja. Het begint al met een woonideaal dat lief­st zo ver mogelijk van stedelijk gebied ligt, ons pri­vaat ideaal’. En wan­neer iedereen dan uitein­delijk zo ver uit elka­ar woont, en je moet naar het werk, de school, de winkel of op bezoek, dan gri­jpen mensen sneller naar de auto. Ruimtelijke orden­ing en mobiliteit zijn zeer nauw met elka­ar ver­bon­den. We zijn alti­jd vertrokken vanu­it een soort func­tion­al­isme: Als iedereen zijn eigen plek heeft om te wonen en we zor­gen ervoor dat alles snel en effi­ciënt met elka­ar is ver­bon­den, dan zijn we goed bezig. Maar we ver­geten dat je daar­door onder­tussen wel een samen­lev­ing opbouwt. Door de ruimte in te richt­en en soms (tijdelijk) toe te eige­nen, komen ook de vra­gen over wat col­lec­tieve ruimte of pub­lieke ruimte moet en kan zijn. We moeten dur­ven nadenken over de ver­schil­lende func­ties en aspecten van ruimte. Nu meer dan ooit. 

Hoe ger­ak­en we dan ver­lost van de jaren zes­tig toen iedereen een huis kon bouwen waar hij wou en de over­heid wel voor een weg ernaar­toe zou zorgen? 

Het debat focust nogal snel op hoe het dan alle­maal wel zou moeten. Ik besef dat je de klok niet zomaar in één keer kunt terug­draaien. Ja, we zijn het er intussen over eens dat we com­pacter moeten gaan wonen en dichter bij ker­nen, knoop­pun­ten en voorzienin­gen. Dat staat alle­maal heel duidelijk in het Belei­d­splan Ruimte Vlaan­deren (BRV). Voor de toekomst weten we al dat we geen open ruimte meer gaan vol­bouwen. Maar we hebben inder­daad geen tijd te ver­liezen om na te denken hoe we met de bestaande sit­u­atie willen omgaan. Er ligt een hele grote uitdag­ing om te kijken hoe we al die ver­sprei­de verkavelin­gen duurza­am kun­nen mak­en voor de toekomst. 

Hoe zetten we Vlaan­deren op weg naar een toekomst van verbind­ing en nabijheid? 

Bij dezen een duidelijke uitn­odig­ing aan het beleid. Hoe we onze ruimte inricht­en, raakt aan heel veel aspecten in ons lev­en. Op veel plaat­sen kun­nen we nog plaats win­nen en zek­er ook onthard­en en ver­groe­nen. Dat kop­pel je dan aan een oper­atie voor meer voorzienin­gen en dien­sten. We moeten dan wel af van het economis­che mod­el van mas­s­apro­duc­tie in grote cen­tra of grote super­mark­ten of winkels waar je voor een pot verf naar­toe gaat én wordt ver­leid om dat met de auto te doen. 

Lat­en we al eens begin­nen met onze ste­den leef­baarder te mak­en. En dat kan alleen maar door die stad autoarmer te mak­en, ver­keer­sluw­er én groen­er ook. Zo zorg je ervoor dat wonen in de stad aantrekke­lijk wordt.

In een ver­snip­perd land­schap zoals in Bel­gië is het veel moeil­ijk­er om te zor­gen voor een mooie sprei­d­ing van buurtwinkels, dien­sten en voorzienin­gen, in tegen­stelling tot bv. in Par­i­js. En het is nog moeil­ijk­er voor een afgele­gen dorp tegen­over een mid­del­grote stad. Lat­en we al eens begin­nen met onze ste­den leef­baarder te mak­en. Dat lijkt me een pri­ma idee. En dat kan alleen maar door die stad autoarmer te mak­en, ver­keer­sluw­er én groen­er ook. Zo zorg je ervoor dat wonen in de stad aantrekke­lijk wordt. En dat de droom’ of ambitie van mensen om (ver) buiten de stad te gaan wonen, uit­dooft. Gewoon omdat het prak­tis­ch­er en aan­ge­namer is in de stad. 

Onze hele maatschap­pij is opge­s­plitst in enerz­i­jds het indi­vidu en anderz­i­jds het pub­lieke, of de hele gemeen­schap. En onder­weg zijn we de tussen­schaal van het col­lec­tieve uit het oog ver­loren. In de jaren 60 werd het gezin gezien als de kern van de samen­lev­ing. Dat gezin moest natu­urlijk een huis hebben. En de bijbe­horende auto was de uit­ing van indi­vidu­ele vri­jheid. Nie­mand had toen al geho­ord van de opwarm­ing van de aarde. Onder­tussen is de wereld drastisch veran­derd, alleen ons beeld van wonen en mobiliteit is wat bli­jven hangen. Van­daag is het hebben van een wagen of een vri­js­taande won­ing een soort van sta­tussym­bool gewor­den, een ideaal vanu­it het idee: ik woon afgele­gen en rustig. Een illusie, want in al die verkavelin­gen wonen mensen redelijk dicht op elka­ar. Er zijn plekken in de stad waar het veel rustiger is om te wonen, met min­der ver­keer dan op den buiten’. We zit­ten dus met een heel hard­nekkig woonideaal dat ook een maatschap­pelijk ideaal is geworden. 

Heel wat mensen op leefti­jd merken nu dat ze in hun bosrijke verkavel­ing geï­soleerd ger­ak­en, en ner­gens te voet of met de fiets naar­toe kun­nen. Die vra­gen zich nu alle­maal af of dat woonideaal van de jaren zeventig nu echt wel zo ideaal is.

Waarom hebben we daar in Bel­gië zoveel last van? 

Er zijn nog wel lan­den die daarmee worste­len. Maar kijk je naar ste­den als Par­i­js, Lon­den of Madrid met hun 7 – 8 miljoen inwon­ers, ja dan spreken we over heel Vlaan­deren hé. Alleen hebben wij die bevolk­ing gespreid over de opper­vlak­te van een heel land. Bouwen is bij ons een indi­vidueel prob­leem en iedereen lost dat ook indi­vidueel op vanu­it het idee van vri­jheid: zelf te kun­nen kiezen wat en waar je bouwt. Maar dat is een vals soort vri­jheid. Ik ver­moed dat er nu heel wat mensen op leefti­jd komen en merken dat ze in hun bosrijke verkavel­ing geï­soleerd ger­ak­en, ner­gens te voet of met de fiets naar­toe kun­nen. Die vra­gen zich nu alle­maal af of dat woonideaal van de jaren zeventig nu echt wel zo ideaal is. 

Waarom past wonen in de stad dan niet in het ideaal­beeld van wonen? 

Ik begri­jp dat ergens ook wel. Autover­keer maakt het in veel ste­den vaak veel te druk. Ste­den hebben een divers pub­liek, wat som­mige mensen nog alti­jd afschrikt. En dan is het ook nog eens heel duur om er te wonen. Een belan­grijke kwest­ie, want je kan wel tegen iedereen gaan zeggen, je moet in de stad gaan wonen, maar dat is sim­pel­weg niet voor iedereen mogelijk. Ik kreeg onlangs een brief van iemand die in Kon­tich woont: Mijn­heer de bouwmeester, u hebt gemakke­lijk prat­en. Ik werk in de haven en ik rij daar met mijn oude diesel naar­toe want er rijdt geen bus om 5 u s mor­gens. En ik kan niet op het Eiland­je gaan wonen want dat kan ik niet betal­en.” Daar valt niets tegenin te bren­gen als we naar ons gebrekkige mobiliteitssys­teem kijken. 

Het idee achter ecolo­gie, ver­groen­ing en wonen in de stad mag er niet toe lei­den dat heel wat mensen uit de boot vallen, omdat ze andere pri­or­iteit­en hebben of niet kap­i­taalkrachtig genoeg zijn om dat nieuwe ideaal te betal­en. Het is belan­grijk om bepaalde uitdagin­gen col­lec­tief aan te pakken én dat het weer betaal­baar wordt om in de stad te wonen. 

Kun­nen we van onze strat­en weer ont­moet­ingsruimte mak­en i.p.v. doorvoerruimte? 

Dat moet zek­er een ambitie zijn. We hebben met team Vlaamse bouwmeester een pro­jec­to­proep afges­loten rond leef­bu­urten. 14 gemeen­ten dien­den een project in, waaruit we er 7 selecteren. De ges­e­lecteerde gemeen­ten die van plan zijn om een stuk open­baar domein her­aan te leggen, kri­j­gen dan ste­un van experts op het vlak van par­tic­i­patie, mobiliteit, water­huishoud­ing, land­schap, enz. Alle­maal om de leefk­waliteit naar een niveau hoger te tillen. En daarmee bedoel ik een her­aan­leg die ten dien­ste staat van ont­moet­ing en gebruik, dus groen­er en met min­der ver­keer. Met piloot­pro­jecten creëert ons team voor­beelden voor andere gemeen­ten zodat die op hun beurt nieuwe mogelijkhe­den zien om de func­tie van de open­bare ruimte te her­denken, haar kwaliteitsvoller en weer mensvrien­delijk te maken. 

En wat is de rol van par­tic­i­patie hierin? 

Goede par­tic­i­patie is die waarin je iedereen van bij het begin betrekt bij het ruimtelijk vraagstuk: wat willen we bereiken met deze plek, hoe mak­en we haar beter? Er is heel veel lokale ken­nis waar je als ontwer­p­er geen weet van hebt. Betrek je bewon­ers, dan neem je ze mee in het debat en zorg je automa­tisch voor draagvlak. Dan bek­ijken ze de oplossin­gen vaak al anders. Uitein­delijk is het dan gemakke­lijk­er om de defin­i­tieve keuzes te com­mu­niceren op basis van de uit­gangspun­ten waar iedereen mee over nagedacht heeft. Dankz­ij par­tic­i­patie kan je mensen lat­en inzien dat er gren­zen zijn en dat de mogelijkhe­den niet ein­de­loos zijn. Soms zie je (bv. Het Steen in Antwer­pen) dat mensen fer­vent tegen iets zijn. Ze gaan er dan nogal gemakke­lijk vanu­it dat iedereen tegen is, of dat iedereen een bepaald ontwerp lelijk vin­dt. Schakel je daar­ente­gen par­tic­i­patie in, dan wordt het snel duidelijk dat het alle­maal veel com­plex­er en min­der zwart-wit is. 

Niet iedereen zal alti­jd mee zijn of het eens zijn, maar de kans op een bred­er draagvlak is wel vele malen grot­er dan wan­neer je het zon­der par­tic­i­patie doet. 

Par­tic­i­patie werkt ook dubbel. Enerz­i­jds geef je iemand het gevoel dat je reken­ing houdt met zijn bezorgdhe­den. Anderz­i­jds werkt het op het feit dat deel­ne­mers besef­fen dat niet iedereen dezelfde pri­or­iteit­en heeft en dat je op zoek moet naar een com­pro­mis of grote gemene del­er. Mensen mogen niet het gevoel kri­j­gen dat ze te laat betrokken wor­den. Wie bv. in een straat woont waar je voor je deur kan park­eren, geni­et daar al jaren­lang een reëel voordeel. Als dan iemand zegt, ga wat verder park­eren, maar we gaan wel zor­gen dat er bomen komen, een bankje om in de zon te zit­ten of een speelveld­je. Rede­neer jij miss­chien wel: daar heb ik nu geen nood aan. Maar wan­neer het al een paar jaar is uit­gevo­erd, dan merk je wel het voordeel van die veran­der­ing: een lev­endi­gere straat, meer con­tact met je buren, schaduw­plekken … Ik hoor vaak van mensen die bij zo’n veran­der­ingstra­jecten of par­tic­i­patie zijn betrokken, dat de opposi­tie wegebt na ver­loop van tijd. Proe­fop­stellin­gen zijn dus een ide­ale manier om mensen anders naar hun buurt te lat­en kijken. 

Hoe zetten we de bocht in van indi­vidueel naar meer collectief? 

Prob­le­men die met leef­baarheid, mobiliteit of kli­maat ver­band houden, zijn vaak gelinkt aan de indi­vid­u­aliteit in onze maatschap­pij. Dat zijn alle­maal prob­le­men die je op het niveau van de gemeen­schap veel effi­ciën­ter kunt oplossen. Dus op de schaal van een buurt of wijk. En dan moet je vast­stellen dat we hier­voor in Bel­gië geen struc­tu­ur hebben, want iedereen zit op zijn eigen gebied­je, zijn eigen kav­el met zijn eigen gren­zen. We moeten drin­gend begin­nen nadenken hoe we dat patroon van indi­vid­u­aliteit kun­nen door­breken. We moeten besef­fen dat er ook zoi­ets is als een col­lec­tief, en dat we niet alles op ons een­t­je moeten oplossen of rege­len. Het gemeen­schap­pelijke niveau mag gerust weer wat meer aan­dacht en gewicht krijgen. 

Met het project Kli­maatwijken bek­ijken we met ons team con­creet hoe we bv. tuin­wijken uit de jaren 60 – 70 als een geheel kun­nen ver­du­urza­men op ver­schil­lende vlakken.

Ik zie gelukkig genoeg opstap­jes naar meer col­lec­tiviteit: wonin­gen niet meer indi­vidueel ver­war­men maar in groep. Kijk naar het fenomeen van de groep­saankopen die aan­to­nen dat het col­lec­tief ook economisch meer kracht heeft. Of door com­pacter te bouwen meer plaats over te houden voor een gedeelde tuin. Dat is een ten­dens die je nu al ziet bij grotere bouw­pro­jecten. Met het project Kli­maatwijken bek­ijken we met ons team con­creet hoe we bv. tuin­wijken uit de jaren 60 – 70 als een geheel kun­nen ver­du­urza­men op ver­schil­lende vlakken. 

Wat kun­nen we doen om col­lec­tiviteit te lat­en doorbreken? 

Ik denk dat er bij de over­heid wat schroom is, dat ze niet goed weten hoe dat in heel hun belei­d­spi­ramide past. Daar komt nog bij dat er in Vlaan­deren juridis­che hin­dernissen zijn om op een goede manier een coöper­atieve op te richt­en. Daar heeft de over­heid nog wel wat werk om dat goed te kri­j­gen. Wan­neer je mensen bewust in zo’n pub­liek trans­for­mati­etra­ject betrekt, denk ik dat je ver kan ger­ak­en. Zo is er onder andere een nieuwe open oproep in Genk waar ver­oud­erde sociale won­ing­bouw een nieuw mas­ter­plan nodig heeft. Een antropoloog heeft daar een uit­ge­breid vooron­der­zoek gedaan. Heel wat buurt­be­won­ers hebben zo mee kun­nen nadenken over wat er nodig is in hun wijk om mensen beter met elka­ar te verbinden. Wan­neer zo’n ruimtelijk én soci­aal vraagstuk in één adem wordt gesteld, denk ik dat er veel mogelijk is om samen te werken aan ste­den, buurten en strat­en op mensenmaat.