Onderzoek naar het effect van fietsvaardigheidstraining

Honderdduizenden leerlingen deden al mee met Meester op de fiets, het fietsvaardigheidsproject voor kinderen in het basisonderwijs. Dat is een aardig aantal, maar de vraag is wat er uiteindelijk overblijft van zo’n fietstraining? Leren fietsen gebeurt immers niet op één dag, maar is een proces van vele jaren. Heeft zo’n fietsvaardigheidstraining op school eigenlijk wel effect?

Een recent onderzoek* binnen de Vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen van de Universiteit Gent ging het effect na bij kinderen uit het vierde leerjaar. Men deed hiervoor een fietstest bestaande uit 13 proeven. De test werd driemaal afgenomen: een week voor de start van de fietstraining (pre-test), een week na de fietstraining (post-test) en vijf maanden later (follow-up test).

Het onderzoek toont aan dat een fietsvaardigheidstraining bestaande uit vier sessies effectief is in het verbeteren van de elementaire fietsvaardigheden van de kinderen en dat deze vorderingen vijf maanden later behouden blijven. De training bleek een belangrijk effect te hebben op de totale fietsvaardigheid. De gemiddelde totale score van de interventiegroep die een fietsvaardigheidstraining kreeg, steeg significant sterker van pre naar post in vergelijking met die van de niet getrainde controlegroep. Ook bleek dit effect behouden bij de follow-up testen. Met andere woorden: de kinderen uit de controlegroep slaagden er niet in om de getrainde kinderen na vijf maanden qua fietsvaardigheid bij te benen. Verder bleek de fietsvaardigheidstraining even effectief bij jongens als bij meisjes.

De fietsvaardigheidstraining bleek bovendien een gericht significant effect te hebben op eenhandige stuurvaardigheid. Voor zowel het linkshandig als het rechtshandig fietsen in een achtvormige beweging stegen de scores van de interventiegroep van pre naar post en van pre naar follow-up. De scores van de controlegroep stegen ook, maar minder sterk. Dit kortetermijneffect bleef ook behouden op langere termijn. Het feit dat kinderen die de fietstraining volgden veiliger signaleren (veiliger = minder evenwichtsverlies, arm meer op schouderhoogte, meer richting houden tijdens het signaleren, …) is een belangrijk gegeven voor wat betreft de arm uitsteken bij richtingsverandering. Dat is geen luxe. Kinderen moeten in staat zijn om veilig te signaleren zodat ze hun manoeuvre aan andere verkeersdeelnemers kunnen aangeven (art. 13 in Wegcode: “Aankondiging van een manoeuvre: wanneer er geen richtingaanwijzers zijn, en indien mogelijk, door een teken met de arm tot de zijdelingse verplaatsing of de wijziging van richting uitgevoerd is”).

Ook was er een effect op het gericht links en rechts kijken. Direct na de training stegen de scores van de interventiegroep, terwijl de scores van de controlegroep onveranderd bleven. Ook vijf maanden na de fietstraining was dit effect nog aanwezig. Voor wat betreft het omkijken over de linkerschouder werd geen significante verbetering vastgesteld direct na de fietsvaardigheidstraining. Bij de follow-up test vijf maanden later bleek er wel een zichtbaar trainingseffect te zijn waarbij de interventiegroep duidelijk meer progressie maakte in vergelijking met de controlegroep. We kunnen hier dus spreken van een uitgesteld trainingseffect. Dat een dergelijke fietsvaardigheidstraining effectief blijkt te zijn in het verbeteren van het kijkgedrag van kinderen is dan ook een belangrijke bevinding. Aangezien de inschatting van verkeerssituaties hoofdzakelijk gebeurt aan de hand van visuele signalen, is het belangrijk dat kinderen ook het omkijken over de schouder voldoende beheersen vooraleer ze zich (zelfstandig) in het verkeer begeven. Bijgevolg moet ook die vaardigheid geoefend worden.

Verder toonden de goede scores van de interventiegroep op de post- en follow-up test aan dat na de fietsvaardigheidstraining de uitvoering van verschillende fietsvaardigheden geautomatiseerd verliep. De kinderen van de interventiegroep moesten dus minder aandacht spenderen aan de uitvoering van elementaire fietsvaardigheden na het volgen van de fietstraining. Dat is een interessante bevinding aangezien de automatisatie van elementaire fietsvaardigheden er voor zorgt dat kinderen meer tijd hebben om te focussen op omgevingsfactoren (verkeersborden, andere verkeersdeelnemers, …) die van groot belang zijn om hun veiligheid tijdens het fietsen in het verkeer te verzekeren. De fietsvaardigheidstraining, die zich afspeelt in een verkeersvrije omgeving, blijkt dus een nuttige eerste stap te zijn in de ontwikkeling van veilig fietsgedrag.

Het onderzoek bekrachtigt natuurlijk vooral dat een intensieve training vruchten afwerpt. Daarom is het belangrijk dat basisscholen zo veel mogelijk de fietsvaardigheden van hun leerlingen opvolgen. Idealiter impliceert dit dat er in de lessen lichamelijke opvoeding bijkomend bij een training van Meester op de fiets (of een vergelijkbare fietstraining) nog drie sessies per klas volgen, aansluitend op het bezoek van de fietsmeester. Niet onmogelijk, maar wel intensief in een al druk beladen curriculumprogramma. Ook voor thuis blijft een belangrijke rol weggelegd: leren fietsen is geen taak van de school alleen. Al zijn we hoe langer hoe meer vertrouwd met de aandacht voor (veilig) leren fietsen op school, de rol van de ouders is en blijft cruciaal. In het onderzoek blijkt trouwens ook dat de kinderen die meer met de fiets naar school gaan, géén betere score behalen op totale fietsvaardigheid. Mogelijk is de fietstrip naar school te kort en biedt die te weinig variatie om de verschillende elementaire fietsvaardigheden te oefenen. Aangezien kinderen toch fietsvaardiger worden door te fietsen wil dit zeggen dat andere fietservaringen, zoals het fietsen in de vrije tijd, mee instaan voor de ontwikkeling van de fietsvaardigheid. Dergelijke fietservaringen stimuleren is de boodschap om de fietsvaardigheid van kinderen te verbeteren. Na de fietsvaardigheidstraining die zich afspeelt in een verkeersvrije omgeving, komen de oefeningen in een beschermde verkeerssituatie en daarna komt het erop aan om veel te oefenen in reële verkeerssituaties. Dat gebeurt op straat en daar spelen ouders de hoofdrol.

Slotbemerking: Fietsvaardigheidstraining wordt almaar meer gebruikt als een strategie om het fietsgebruik naar school te stimuleren. Uit onderzoek blijkt echter dat de fietsvaardigheid van een kind voor ouders vaak niet doorslaggevend is om hun kind met de fiets naar school te laten rijden. Om te bereiken dat kinderen meer naar school fietsen, moet ook ingezet worden op andere factoren, zoals ouders sensibiliseren, verkeersveiligheid verhogen of de schoolomgeving en –route  fietsvriendelijker maken. Ook dat moeten we blijven beklemtonen.

Meer details van het onderzoek vindt u in volgende artikels:

  • R. Canters, F. Ducheyne & G. Cardon (2014). Intensieve fietsvaardigheidstraining heeft effect. Verkeersspecialist, nr. 205, p. 12-17.
  • F. Ducheyne, I. De Bourdeaudhuij, M. Lenoir en G. Cardon (2013). Hoe fietsvaardig zijn onze kinderen? Tijdschrift voor Lichamelijke Opvoeding, nr. 238, p. 8-11.
  • F. Ducheyne, M. Lenoir, I. De Bourdeaudhuij, G. Cardon (2013). Does a cycle training course improve cycling skills in children? Accident analysis and prevention, 59, p. 38-45.
  • F. Ducheyne (2013). Cycling to school: correlates, cycling skills and effectiveness of cycle training on cycling skills and levels of cycling to school, PHD Dissertation, Vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen, UGent.

------
* De studie werd gefinancierd door het Fond Wetenschappelijk onderzoek, project Levenslijn. De fietsvaardigheidstraining in kwestie bevatte oefeningen die onder meer afkomstig zijn van ‘Meester op de fiets’ maar ook van andere bestaande fietsvaardigheidstrainingen, aangepast en aangevuld door een expertenpanel op het gebied van motorische controle. Het gaat dus niet om een directe effectstudie van Meester op de fiets, maar over fietsvaardigheidstrainingen in het algemeen.

Contact: